Rijnsburg

De geschiedenis van Rijnsburg gaat meer dan 1000 jaar terug en leidt onder andere naar Rudolfsheim. Reeds in de zesde eeuw was het dorp Rothulfuashem (Rudolfsheim) een dichtbewoonde plaats aan de oever van de getijdenstroom Flieta ofwel Vliet. In het vroegere graafschap Holland (900) lag er bij Rudolfsheim een verdedigingswerk – waarschijnlijk een volksburcht – waardoor de naam rond 1000 veranderde in Rinasburg, het huidige Rijnsburg.

Van 1133-1574 was Rijnsburg bekend door de nauw met het Grafelijk Huis verbonden Benedictijner abdij voor adellijke vrouwen. De abdij werd in 1133 gesticht door Petronella van Saksen, weduwe van graaf Floris II. In de Romaanse abdijkerk werden talrijke leden van het Hollandse Grafelijk Huis bijgezet, waaronder Willem I, Floris IV, Floris V en Jan I van Holland.

In de 17e eeuw ontstond in het dorp de bekende protestantse stroming van de Rijnsburger Collegianten. In 1661 kwam de Joodse wijsgeer Baruch de Spinoza in conflict met zijn afkomst en de heersende godsdienstige opvattingen. Van 1661-1663 woonde hij in deze geestelijk tolerante omgeving, waar hij werkte aan zijn hoofdwerk Ethica.

Rijnsburg kende in de 17e en 18e eeuw veel goed producerende land- en tuinbouwers, die eeuwenlange ervaring met grond en gewassen wisten te gebruiken. In de 19e eeuw echter verarmde het dorp zeer snel door het opkomen van het Westland en het ontbreken van een goede prijsvorming voor de agrarische producten. In deze zware economische nood wierpen de bloemenhandel en bloementeelt zich tenslotte op als redmiddel. Ook Rijnsburg leed onder de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na 1945 krabbelde het weer snel overeind. Het oude dorpscentrum werd grotendeels vernieuwd, nieuwe woonwijken werden gepland en gebouwd (plan West, Frederiksoord, de Hoek, Kleipetten en momenteel De Horn, Frederiksoord Zuid, De Roover).